Wetgeving

Bestrijding van discriminatie en ongelijke behandeling is geen eenvoudige opdracht.

Het is niet een kwestie van een enkele verbodsbepaling en handhaving van de rechtsorde, maar duidelijk ook een maatschappelijk ontwikkelingsproces.

De Nederlandse bevolking is van een etnisch en religieus diverse samenstelling.
Dat roept spanningen op in de samenleving.
Het is om deze redenen dat de overheid zeer veel waarde hecht aan een samenleving die bijeen blijft en dat er bruggen worden geslagen tussen verschillende bevolkingsgroepen. De nadruk dient te komen liggen op datgene wat de verschillende groepen met elkaar gemeen hebben.

Naast dit algemene uitgangspunt is het Nederlandse beleid gericht op de bescherming en versterking van de positie van personen behorend tot groepen in de samenleving die slachtoffer zijn of dreigen te worden van discriminatie en intolerantie.
Het gaat dan niet meer alleen over de etnische afkomst als discriminatiegrond, maar ook om gronden gebaseerd op geslacht, homo- en/of hetero-
seksuele gerichtheid, leeftijd of handicap.

Het non-discriminatiebeginsel is daarbij leidend, zoals verankerd in artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en uitgewerkt in civielrechtelijke
(waaronder de Algemene Wet Gelijke Behandeling, afgekort AWGB) en strafrechterlijke bepalingen (criminele handelingen van discriminatoire aard zijn verboden gesteld in de artikelen 137c t/m 139g en artikel 429 quater Wetboek van Strafrecht).